Roparun 2013 goed afgerond door team 27

Het Roparun team 27 met deelnemers van Pellicaan Advocaten heeft dit weekend een goede prestatie geleverd! Kijk voor foto’s op deze openbaar toegankelijke Facebook pagina.

Geplaatst in Diversen | Een reactie plaatsen

Roparun team 27 met Pellicaan Advocaten is naar Parijs vertrokken

Vandaag is een team met medewerkers van Pellicaan Advocaten en Mazars Nederland, team 27, naar Parijs vertrokken voor deelname aan de Roparun 2013. De Roparun is een estafetteloop van meer dan 500 kilometer van Parijs en Hamburg naar Rotterdam waarbij mensen, in teamverband, een sportieve prestatie leveren om op die manier geld op te halen voor mensen met kanker, zie de Roparun site.

Meer informatie over team 27 is hier te vinden. Er kan nog steeds worden gedoneerd!

Team 27 Roparun 2013 (Pellicaan / Mazars)

Team 27 heeft er zin in!

Geplaatst in Diversen | Een reactie plaatsen

Ontslag wegens werkweigering (Richard Ouwerling)

De laatste tijd krijg ik als advocaat arbeidsrecht regelmatig de vraag voorgelegd of het mogelijk is om een werknemer op staande voet te ontslaan wegens werkweigering. Mijn reactie is dan steeds dat dit zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval, waarna ik vervolgens op basis van feitenrelaas door de cliënt advies op maat geef.

Als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten die door of namens zijn werkgever worden gegeven, dan kan dat voor de werkgever volgens de wet een dringende reden zijn om de werknemer op staande voet te ontslaan.

Uit de praktijk blijkt echter dat lang niet elke werkweigering ontslag op staande voet rechtvaardigt. Hieronder enkele veel voorkomende voorbeelden

Arbeidsongeschiktheid

Uiteraard dient zeer voorzicht te worden gehandeld, indien (het vermoeden bestaat dat) de werknemer arbeidsongeschikt is. Werkverzuim wegens ziekte is geen dringende reden. Indien de werkgever een werknemer wil ontslaan wegens werkweigering en de werknemer beroept zich (later) op arbeidsongeschiktheid, de werkgever in dat geval dient te bewijzen dat de werknemer arbeidsgeschikt was. Een werknemer die te goeder trouw afgaat op het oordeel van de arts of specialist dat hij niet werken, mag er op vertouwen arbeidsongeschikt te zijn (geweest).

Herhaaldelijk te laat komen

De werknemer die zonder gegronde reden te laat op zijn werk komt, kan niet op staande voet worden ontslagen. Dit wordt echter anders, indien de werknemer veelvuldig te laat komt en de werkgever hem verschillende malen (schriftelijk) heeft gewaarschuwd dat dit plichtsverzuim zal kunnen leiden tot ontslag op staande voet.

Detentie

Niet-aanwezigheid op het werk wegens arrestatie door de politie is volgens vaste jurisprudentie geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Wel kan afhankelijk van de omstandigheden (veroordeling, lengte vrijheidsstraf, vertrouwensbreuk) detentie van een werknemer reden zijn om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden

Opnemen vakantiedagen

Het opnemen van vakantiedagen in strijd met de hieromtrent gemaakte afspraken met de werkgever, zal als regel wel een dringende reden zijn. Als de werknemer ziek wordt tijdens de vakantie, dan dient hij dit direct aan zijn werkgever te melden. De dagen waarop een werknemer tijdens vakantie in het buitenland ziek is, worden in beginsel niet in mindering gebracht op het tegoed aan vakantiedagen van de werknemer. Indien de werkgever twijfelt aan de arbeidsongeschiktheid van de werknemer kan hij een onderzoek instellen. Daarbij mag de werkgever zelfs verlangen dat de werknemer naar Nederland terugkeert, indien en voor zover de werknemer in staat is te reizen. De bedrijfsarts in Nederland of in het buitenland kan als enige bepalen of de werknemer al dan niet arbeidsongeschikt was. Weigert de werknemer zich te laten controleren door de bedrijfsarts, dan is de sanctie van loonopschorting mogelijk in plaats van ontslag.

Terugkomen op werkweigering

Als de werknemer vrij snel direct na de werkweigering terugkomt op zijn besluit, dan zal het ontslag op staande voet geen stand houden. Een postbode die geweigerd had om post te bezorgen omdat deze herhaaldelijk te laat op het steunpunt aanwezig was, werd om die reden op staande voet ontslagen. De man was echter een kwartier na de weigering al op zijn besluit teruggekomen. De rechter bepaalde daarom dat het ontslag ten onrechte was gegeven. De werkgever moest de werknemer weer toelaten tot zijn werk.

Conclusie

Kortom, de mogelijkheid van ontslag op staande voet wegens werkweigering is sterk afhankelijk van de concrete feiten. In de praktijk blijkt  voor werkgever helaas maar al te vaal dat een ontslag op staande voet in rechte geen stand houdt. Het is dan ook zaak om bij het voornemen van ontslag op staande voet een arbeidsrecht advocaat te raadplegen.

Geplaatst in Arbeidsrecht en personeelszaken | Tags: | Een reactie plaatsen

Bodemrecht van de fiscus: ingrijpender dan ooit! (Xander Alders)

De fiscus heeft in Nederland ingrijpende mogelijkheden om belastingschulden te incasseren. Onder omstandigheden mag de fiscus zich zelfs op eigendommen van derden verhalen. In slechts een beperkt aantal gevallen kan de derde zich daartegen verweren. En sinds 1 januari 2013 zijn die gevallen nog meer ingeperkt. Hieronder ga ik nader in op het bodemrecht en de recente wijzigingen in dat verband.

Bodemrecht

De fiscus heeft een zogeheten bodemrecht. Dat is het recht om zich in het kader van bepaalde niet betaalde belastingschulden te verhalen op alle (roerende) zaken die zich op “de bodem” van de belastingplichtige bevinden en die dienen “ter stoffering” van het betreffende perceel en/of gebouw. Machines en inventaris vallen wel onder het bodemrecht, maar voorraden en bedrijfsauto’s bijvoorbeeld niet. Vaak is ook niet duidelijk of iets als een bodemzaak kwalificeert en moet de rechter uitsluitsel geven.

Kwalificeert een zaak als bodemzaak, dan kan de fiscus ten aanzien van die zaak haar bodemrecht uitoefenen, ongeacht van wie die zaak is. Dat betekent dus dat ook goederen van derden kunnen worden uitgewonnen om de belastingschulden van de belastingplichtige te voldoen. Daarop was tot voor kort slechts één uitzondering en die houdt in dat de fiscus reëel eigendom eerbiedigt, mits dit kan worden aangetoond door de derde. Een derde is pas reëel eigenaar indien hij juridisch de rechtmatig eigenaar is van de zaak én de zaak ook in economisch opzicht overwegend aan hem toebehoort. Dit is in de praktijk moeilijk aan te tonen, waardoor de fiscus vaak aan het langste eind trekt.[1] Naar aanleiding van recente regelgeving is daar een uitzondering bij gekomen (zie hierna).

Frustreren van het bodemrecht

Er zijn mogelijkheden om het bodemrecht van de fiscus te frustreren. Daarbij wordt bewerkstelligd dat de betreffende zaken niet meer als bodemzaken kwalificeren. De meest geëigende methodes daarvoor zijn de zogenoemde bodemverhuurconstructie en de afvoerconstructie. Bij gebruikmaking van een bodemverhuur-constructie verhuurt de belastingplichtige ondernemer zijn terrein aan een derde, waardoor als het ware de bodem wordt weggetrokken onder de zaken. Dit is vaak wel een laatste redmiddel omdat daarmee de onderneming van de belastingplichtige ondernemer stil komt te liggen. De ondernemer kan dan immers geen gebruik meer maken van het terrein en de daarop aanwezige faciliteiten.

Een andere, eenvoudigere manier is om de zaken vóór uitoefening van het bodemrecht af te voeren (de zogenaamde afvoerconstructie). Een leverancier die onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd kan zijn eigendomsvoorbehoud inroepen of een bank die een pandrecht heeft op de betreffende zaken kan de zaken in vuistpand nemen. Let wel, het gaat hierbij steeds om bodemzaken. Handelsgoederen die zijn geleverd onder eigendomsvoorbehoud of zijn verpand worden niet geraakt door het bodemrecht van de fiscus en kunnen gewoon buiten de fiscus om worden opgeëist. Wel zal dit in faillissement met de curator moeten worden afgestemd.

Belastingplan 2013

Met name de veel gebruikte afvoerconstructie is door het Belastingplan 2013[2] ernstig beperkt. In het Belastingplan 2013 is namelijk bepaald dat voordat een derde zijn eigendomsvoorbehoud of zekerheidsrecht wil inroepen, hij dit aan de fiscus moet melden. Deze heeft dan de mogelijkheid om haar bodemrecht uit te oefenen waardoor het afvoeren van de (dan) bodemzaken niet meer mogelijk is en het eigendomsvoorbehoud of zekerheidsrecht feitelijk waardeloos is geworden. Er was een overgangsregeling, maar vanaf 1 april geldt de meldingsplicht voor alle zekerheidsrechten ongeacht wanneer deze zijn ontstaan. Meldt de derde zijn voornemen om zijn rechten uit te oefenen niet aan de fiscus of gaat hij zonder melding tot uitoefenen van rechten over, dan moet hij de executiewaarde van de betreffende zaak aan de fiscus voldoen.

Vanuit VNO-NCW en MKB-Nederland is felle kritiek geuit op deze meldingsplicht. Het betekent namelijk (onder meer) dat door deze maatregel de financiering van bedrijfsmiddelen (die als bodemzaken kwalificeren) duurder wordt of dat in ieder geval meer zekerheid zal worden gevraagd. Dit verhoogt de druk op de vaak toch al lastige financiële positie van ondernemers.

Recentelijk heeft staatssecretaris Weekers van Financiën echter aangegeven dat de meldingsplicht in het Belastingplan 2013 niet geldt bij aankoopfinanciering, zoals bij levering onder eigendomsvoorbehoud en bij bepaalde vormen van leasing en huurkoop[3]. Door deze toezegging is een met name voor midden- en kleinbedrijf belangrijk nadeel weggenomen. Voor de overige gevallen blijft de meldingsplicht onverkort bestaan.

Afsluitend

De recente nieuwe regelgeving geeft voldoende aanleiding om te onderzoeken of en welke zekerheden u heeft bedongen van uw afnemers, wat die zekerheden waard zijn en hoe daarmee moet worden omgegaan indien uw afnemer niet meer dreigt te kunnen betalen. Een goede advisering en snel handelen kan u veel geld en problemen besparen. Wilt u meer weten over dit onderwerp of over financiering en zekerheden in het algemeen, neem dan gerust contact op met mij of met één van mijn ondernemingsrecht-collega’s van Pellicaan Advocaten N.V.

NOTEN

[1] Zie in dit verband een recente uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2012 (LJN: BX7851).
[2] Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2012-668.html.
[3] Zie de gewijzigde Leidraad Invordering 2008: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-8366.html.

Geplaatst in Belastingrecht, Handelsrecht | Tags: , | Een reactie plaatsen

Dit betekent Sociaal Akkoord voor ontslagrecht (Sonia Beedie)

De plannen in het regeerakkoord over het ontslagrecht gaan de prullenbak in. Toch zal er vanaf 2016 een hoop veranderen rond het ontslagrecht en de regels rond tijdelijke contracten. Sonia Beedie van Pellicaan Advocaten over de gevolgen voor werkgevers.

Werkgevers en werknemers hebben in het sociaal akkoord een streep gehaald door de oorspronkelijke plannen van het kabinet inzake het ontslagrecht. Voorlopig verandert er niets. Pas vanaf 2016 gaat er een hoop veranderen.

Uit het Sociaal akkoord van april 2013 kan worden opgemaakt dat er in ieder geval een drietal belangrijke veranderingen zullen plaatsvinden in het arbeidsrecht:

1) Je kunt geen keuze meer in de ontslagroute maken: afhankelijk van de grond voor ontslag moet je naar het UWV óf de kantonrechter.

2) De ontslagvergoeding wordt beperkt.

3) Er komt een wijziging in het afsluiten van tijdelijke contracten.

Einde duale ontslagstelsel

Afhankelijk van de ontslagreden komt er één ontslagroute: een procedure bij het UWV voor bedrijfseconomisch ontslag en ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De route naar de kantonrechter wordt voor deze gevallen dus afgesloten.

Bij de kantonrechter kan alleen nog maar ontbinding worden verzocht voor (andere) in de persoon gelegen redenen en bij een verstoorde arbeidsverhouding.

Indien het UWV een negatieve beslissing afgeeft, kan de werkgever de kantonrechter echter alsnog om ontbinding verzoeken, waarbij deze toetst aan dezelfde criteria als het UWV.

Ook de werknemer kan een positieve beslissing van het UWV eveneens aanvechten bij de kantonrechter en hem verzoeken om herstel van de arbeidsovereenkomst.

Positief punt is dat voor de werkgever vanaf 1 januari 2016 de mogelijkheden om in hoger beroep te gaan tegen een voor hem negatieve beslissing eindelijk zijn uitgebreid. Het wordt makkelijker om in hoger beroep en cassatie te gaan bij beslissingen van de kantonrechter.

Beperking ontslagvergoeding

De verwachte beperking van de ontslagvergoeding komt er, net zoals in de plannen van het kabinet, maar ook deze gaat pas in 2016 in. Bij één of meer dienstverbanden (waarbij ook tijdelijke dienstverbanden worden meegerekend) van in totaal twee jaar of langer betaalt de werkgever bij ontslag een transitievergoeding van maximaal 75.000 euro, of maximaal één jaarsalaris als dat hoger is.

De transitievergoeding bedraagt over de eerste tien dienstjaren één derde van een maandsalaris per dienstjaar, en vanaf de jaren na het tiende dienstjaar een half maandsalaris per dienstjaar.

Voor werknemers van 50 jaar en ouder geldt tot 2020 overgangsrecht. De transitievergoeding voor 50-plussers met tien dienstjaren wordt gesteld op één maand per dienstjaar na hun vijftigste (met een uitzondering voor MKB-bedrijven met minder dan 25 werknemers). Transitievergoedingen kunnen al naar gelang de situatie – is werkgever of werknemer het ontslag in bepaalde mate aan te rekenen – worden gecorrigeerd.

Tijdelijke contracten

De onder het huidige arbeidsrecht geldt dat een werkgever maximaal drie tijdelijke contracten in maximaal drie jaar tijd mag afsluiten. Na een tussenpoos van drie maanden kan de keten opnieuw beginnen.

Vanaf 1 januari 2016 mag een werkgever maximaal drie contracten in twee jaar aanbieden. Daarna moet minimaal zes maanden worden gewacht voordat er weer een nieuw tijdelijk contract kan worden aangeboden.

Voor tijdelijke contracten van zes maanden of korter, vervalt bovendien de mogelijkheid een proeftijd overeen te komen. Ook worden de mogelijkheden tot het opnemen van een concurrentiebeding in een tijdelijk contract drastisch beperkt.

Mogelijkheden werkgevers

Voor ondernemers is van belang om te weten dat er anno 2016 eindelijk recht wordt gedaan aan de mogelijkheid om in hoger beroep en cassatie te gaan van een uitspraak van de kantonrechter.

De werkgever die bij het UWV niet het advies of de beslissing krijgt waarop hij hoopte, kan bovendien alsnog ontbinding verzoeken van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter. Verder is van belang te weten dat de mogelijkheden ten aanzien van tijdelijke contracten fors zullen worden ingeperkt. Daarnaast word het lastig om een concurrentiebeding in een tijdelijk contract op te nemen.

Sonia schreef dit artikel voor Z24, waar het op 23 april jl. op de site verscheen.
Lees meer artikelen van Sonia Beedie op Z24. | Pellicaan Advocaten stelt via Z24 gratis voorbeelden op het gebied van het arbeidsrecht ter beschikking: download een gratis voorbeeld arbeidsovereenkomst

Geplaatst in Arbeidsrecht en personeelszaken | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewaarplicht voor rechtspersonen

Betrokkenen bij Nederlandse rechtspersonen dienen rekening te houden met de regels voor het bewaren van gegevens. Er is alle aanleiding om weer eens op hoofdlijnen op een rijtje te zetten hoe het met de bewaarplicht voor rechtspersonen zit. In dit artikel wordt op die bewaarplicht  ingegaan.

Inleiding

Bestuurders van Nederlandse rechtspersonen, zoals de besloten vennootschap, de vereniging en de stichting [*], dienen rekening te houden met de bewaartermijnen die voor de rechtspersoon gelden. De belangrijkste algemene regels zijn in boek 2 Burgerlijk Wetboek (rechtspersonenrecht) te vinden:

  • Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
  • Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen.
  • Het bestuur is verplicht de hiervoor bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
  • Ook van een ontbonden rechtspersoon moeten de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers worden bewaard, nl. gedurende zeven jaren nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Bewaarder is degene die met inachtneming van de statuten van de rechtspersoon daartoe is aangewezen.

De gegevens mogen digitaal worden bewaard, met inachtneming van het navolgende:

  • De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

Fiscale bewaartermijnen

Een rechtspersoon heeft ook ten opzichte van de belastingdienst een bewaarplicht. De fiscus hanteert eveneens zeven jaar als uitgangspunt. Echter, in verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting btw voor onroerende zaken, zoals bedrijfspanden, moeten de gegevens van onroerende zaken tien jaar worden bewaard.

Het is aan te bevelen over de fiscale bewaartermijnen de laatste informatie op http://www.belastingdienst.nl/ te raadplegen. Voorts dient u rekening te houden met de verwachtingen die de belastingdienst heeft aangaande de wijze waarop wordt bewaard. Daarover is op http://www.belastingdienst.nl/ meer te vinden [**]. Uw belastingadviseur kan u hierover nader inlichten.

Andere redenen om gegevens te bewaren

Naast de hiervoor genoemde algemene regels op het gebied van het rechtspersonenrecht en het belastingrecht, kan er voor bepaalde rechtspersonen op grond van specifieke regelgeving of andere redenen ook een verplichting zijn om bepaalde gegevens te bewaren. Bovendien zijn er ook wettelijke voorschriften die een maximale bewaartermijn voorschrijven, dat heeft dan met name betrekking op vertrouwelijke persoonsgegevens.

Te denken valt onder andere aan:

  • bijzondere wettelijke regels voor bepaalde ondernemingsbranches, zoals voor transporteurs, apothekers, notarissen, banken en verzekeringsmaatschappijen;
  • regelgeving waarbij persoonsgegevens aan de orde zijn, zoals personeelsadministraties, bepaalde databanken, video-opnamen, digitale volgsystemen, medische gegevens;
  • bijzondere wetgeving voor bepaalde groepen ondernemingen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) [***];
  • verplichtingen op grond van overeenkomsten of subsidievoorwaarden die voor de rechtspersoon gelden.

De aard van de activiteiten van de rechtspersoon en het risicoprofiel kunnen eveneens aanleiding zijn om gegevens langer dan zeven jaar te bewaren.

Meer informatie

De advocaten van Pellicaan Advocaten adviseren u graag nader over de voor uw onderneming of organisatie relevante bewaartermijnen. U kunt onze gegevens vinden via www.pellicaan.nl.

NOTEN

[*] Voor de – niet veel voorkomende  – coöperatie waarvan de leden aansprakelijk zijn voor de schulden van de coöperatie, geldt in afwijking van de algemene regel een bewaartermijn van tien jaar voor de ledenadministratie.

[**] Op dit moment staat de informatie daarover op dit internetadres.

[***] De Wwft schrijft voor om gegevens inzake een cliëntenonderzoek en inzake de melding van ongebruikelijke transacties te bewaren.

Geplaatst in Handelsrecht, Rechtspersonenrecht | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Trek op tijd aan de bel! Introductie inzake de klachtplicht bij niet-nakoming (Xander Alders)

Indien u zaken bestelt bij een leverancier, dan mag u verwachten dat de geleverde zaken aan de overeenkomst beantwoorden. Er worden talrijke procedures gevoerd waarin leverancier en afnemer van mening verschillen of dit het geval is geweest. Een belangrijke voorvraag in dat verband waarvan partijen zich vaak niet of onvoldoende bewust zijn, is of de afnemer wel op tijd bij de leverancier heeft geklaagd (de zogenaamde “klachtplicht”). Juist op dit punt is de laatste tijd veel rechtspraak verschenen. Een korte introductie in deze regeling.

De regeling
De wet bepaalt dat een afnemer niet meer bij zijn leverancier kan aankloppen vanwege een onjuiste, onvolledige of ondeugdelijke levering indien hij de leverancier daarover niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had kunnen ontdekken, heeft bericht. Tenzij het gaat om een koop door een consument[1] spelen hierbij twee belangrijke elementen, te weten het redelijkerwijs van de afnemer te verwachten onderzoek en het binnen bekwame tijd klagen. Die elementen moeten aan de hand van de omstandigheden van het geval worden uitgelegd. Het is niet verwonderlijk dat juist over deze twee elementen veel wordt geprocedeerd.

Ik ga in deze bijdrage uit van een koop van (roerende) zaken, maar in feite geldt deze regeling ook voor andere situaties, zoals huurovereenkomsten, verleende diensten of de koop van onroerend goed. Eigenlijk in elke relatie waarbij een partij iets van een andere partij heeft te vorderen, speelt de hiervoor omschreven klachtplicht een rol. Wel is het zo dat ingeval van koop de wet een meer concrete regeling geeft, die ook – zoals hiervoor aangegeven – consumenten een bepaalde mate van bescherming biedt.

Het onderzoek
De eerste vraag die speelt, is welk onderzoek redelijkerwijs van een afnemer kan worden verwacht. In veel gevallen volstaat een globaal onderzoek, maar zeker bij kostbare en specialistische zaken mag een meer specifiek onderzoek worden verwacht. Onder bepaalde omstandigheden mag zelfs worden verwacht dat een deskundige wordt ingeschakeld. Denk bijvoorbeeld aan een bouwkundig onderzoek bij de koop van een huis, een keuring van een tweedehands auto of een technische controle bij aanschaf van een machine. Bij de mate van onderzoek zijn ook de aard van de zaak en uitlatingen van de verkoper/leverancier van belang. Hoe meer de koper/afnemer erop mag vertrouwen dat de gekochte zaak aan de overeenkomst beantwoordt, hoe minder snel van hem mag worden verwacht dat hij een specifiek onderzoek doet.

De klachttermijn
Het is van groot belang welk onderzoek de afnemer doet en dus op welk moment hij het gebrek redelijkerwijs had kunnen ontdekken. Dit komt doordat vanaf dat moment de klachttermijn gaat lopen. De vraag of binnen bekwame tijd is geklaagd, wordt dus deels beantwoord aan de hand van het (redelijkerwijs te verwachten) onderzoek. Vervolgens moet worden beoordeeld of de klacht tijdig is ingesteld. De rechtspraak varieert enorm op dit punt. Dit hangt echt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Wel is de wetgever aan consumenten tegemoet gekomen door te bepalen dat bij een koop door consumenten een klacht binnen twee maanden na ontdekking in ieder geval tijdig is. Daarnaast is in alle situaties met name van belang of de belangen van de verkoper/leverancier zijn geschaad doordat er niet eerder is geklaagd.

Tot slot
Zowel verkopers/leveranciers als kopers/afnemers moeten bedacht zijn op de wettelijke regels over de klachtplicht. Voor verkopers/leveranciers zal het een belangrijk verweer kunnen opleveren en voor kopers/afnemers is vooral van belang dat zij tijdig onderzoek doen en daarop vervolgens voortvarend actie ondernemen. Kijk in dit verband ook naar eventueel van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarin regelmatig verplichtingen zijn opgenomen omtrent onderzoek bij aflevering en termijnen waarbinnen kan worden geklaagd. Het is niet altijd zo dat die bepalingen stand houden, maar ze zullen op zijn minst een belangrijke aanwijzing zijn. Let hier dus goed op.

Heeft u vragen over dit onderwerp of andere juridische onderwerpen, neem dan gerust contact op met mij of een van mijn collega’s van Pellicaan Advocaten.

[1] Waar wordt aangehaakt bij het moment dat het gebrek daadwerkelijk wordt ontdekt.

Geplaatst in Contractenrecht, algemeen privaatrecht | Tags: | Een reactie plaatsen

Waarom steunt kabinet opeens no cure no pay? (Sonia Beedie)

Als no cure no pay wordt toegestaan voor de beloning van advocaten, is het wel van belang grenzen te stellen die de nadelen beperken, vindt Sonia Beedie van Pellicaan Advocaten.

Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft afgelopen week in een debat aangegeven het “no cure no pay”-systeem, dat nu nog voor de advocatuur verboden is, te willen invoeren.

In Amerika is het al de gewoonste zaak van de wereld; in Nederland mogen advocaten echter niet aanbieden alleen kosten in rekening te brengen als een zaak wordt gewonnen. De Orde van Advocaten is er niet per se op tegen, maar tot voor kort de regering nog wel.

De discussie of een beloning alleen moet worden toegestaan als je als advocaat een bepaald van te voren afgesproken resultaat behaalt, is ineens weer opgelaaid.

No cure no pay

Er zijn natuurlijk voors en tegens te bedenken voor de invoering van een “no cure no pay” beloningsstructuur. Het recht kan toegankelijker worden gemaakt voor mensen die normaal gesproken geen advocaat zouden kunnen betalen. Het is ook denkbaar dat de werkdruk daalt bij gerechtelijke instanties, want kansloze of minder kansrijke zaken zullen niet zo gemakkelijk meer ingesteld worden.

Ook zal de advocaat zich waarschijnlijk hard(er) inzetten voor een goed resultaat: anders wordt hij immers niet beloond. Tegelijkertijd vraag ik mij stellig af men zich de nadelen wel voldoende realiseert.

Een advocaat krijgt een sterk eigen belang bij de zaak, waardoor hij hard voor je zal werken om goed resultaat te behalen. Maar dat heeft ook een keerzijde. Stel je voor dat je 100 duizend euro te vorderen hebt, en de wederpartij wil de zaak schikken voor bijvoorbeeld 80 duizend euro. De advocaat zal dan misschien, denkend aan zijn eigen portemonnee die dan sneller gevuld wordt, adviseren die schikking te nemen in plaats van door te procederen. Maar wie zegt dat de rechter niet de volle 100 duizend euro zou hebben toegewezen?

Natuurlijk zijn er altijd risico’s verbonden aan procederen, maar de afwegingen die de advocaat maakt bij zijn advies over een schikking zal bij “no cure no pay” sterk ingekleurd kunnen worden door zijn eigen belang om betaald te worden. Dat lijkt me geen goede ontwikkeling.

Hogere beloningen

Verder moeten rechtzoekenden zich ook bedenken dat dit systeem wellicht kan leiden tot veel hogere beloningen dan nu gebruikelijk in de advocatuur. Als ik als advocaat een groot risico moet lopen, dan moet daar ook een groot voordeel aan verbonden zijn. Als ik (in eerste instantie kosteloos) veel werk moet verrichten voor een cliënt in een zaak waarbij het resultaat door allerlei omstandigheden onzeker is, dan moet daar wel een flinke “upside” aan zitten, anders is het voor mij als advocaat niet interessant. Een commerciële gedachte wellicht, maar mijn secretaresse, kantoorhuur en briefpapier moet ook gewoon worden betaald.

Wat vaak “vergeten” wordt, is dat je als advocaat bovendien niet altijd volledig de uitkomst van een zaak kan beïnvloeden. Er spelen diverse factoren mee die de uitkomst bepalen: de kwaliteit van de advocaat natuurlijk, maar ook de feiten, de bewijzen die de cliënt heeft, en de juridische werkelijkheid waarin die feiten moeten worden geplaatst.

Als een zaak niet “sterk” is, dan zal een advocaat die niet zo snel meer aannemen op “no cure no pay” basis. Het risico om niet betaald te worden is dan namelijk te groot. Terwijl de cliënt er misschien wel principieel in staat en ondanks de risico’s op verlies toch een uitspraak van de rechter wil. Hoe los je die gevallen dan op? Daar zal dan in de praktijk toch voor betaald moeten worden.

En verder: hoe meet je het “resultaat” van een juridisch advies, of het opstellen van een contract, of het doorvoeren van een reorganisatie. Advocaten leveren ook veel werk dat geen (direct) financieel resultaat heeft, maar daarom niet minder belangrijk is. Hoe verricht je die diensten dan op “no cure no pay” basis? Het wordt er niet transparanter op. Voordat je voor je cliënt aan de slag kan, moet er dan eerst een dik contract opgesteld worden over de voorwaarden voor beloning?

Bezuinigingsagenda?

Ondanks de genoemde nadelen wil ik niet zeggen dat “no cure no pay” per definitie verboden zou moeten blijven voor de advocatuur. Maar het is wel van belang daar goed over na te denken en er bepaalde grenzen aan te stellen om de nadelen in ieder geval te beperken.

De vraag rijst overigens waar deze discussie en ommezwaai van de regering opeens vandaan komt. Zou het te maken hebben met de gewenste (en noodzakelijke) bezuinigingen? Als advocaten no cure no pay gaan werken, zou wellicht flink gekort kunnen worden op de gefinancierde rechtsbijstand. Geen journalist (bij mijn weten) die deze vraag al aan de betreffende politici heeft gesteld. Ik ben toch wel benieuwd of daar geen “verborgen agenda” achter zit.

Sonia schreef dit artikel voor Z24, waar het vandaag op de site verscheen. | Lees meer artikelen van Sonia Beedie op Z24
Pellicaan Advocaten stelt via Z24 gratis voorbeelden op het gebied van het arbeidsrecht ter beschikking: download een gratis voorbeeld arbeidsovereenkomst

Geplaatst in Contractenrecht, algemeen privaatrecht, Handelsrecht | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Regels inzake tijdige betaling bij handelstransacties (Wendela Francken/Ellen Timmer)

In dit artikel zetten Wendela Francken/Ellen Timmer de nieuwe regels inzake tijdige betaling bij handelstransacties op een rij.

Bij transacties tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en overheden worden rekeningen niet altijd op tijd betaald. Op grond van een Europese richtlijn dienen in de wetgeving van alle Europese landen regels te worden opgenomen die tijdige betaling bevorderen. Per 16 maart 2013 zijn in Nederland de betalingstermijnen wettelijk vastgelegd.

Onderstaand enige kernpunten van de nieuwe wet:

1. De nieuwe regels voor betalingsachterstanden bij handelstransacties zijn van toepassing op overeenkomsten tussen ondernemers en/of overheden. De wet geldt niet voor overeenkomsten met consumenten.

2. Onder handelstransacties wordt verstaan: ‘het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding’. Deze regels zijn dus niet van toepassing op vorderingen tot schadevergoeding of uit hoofde van andere betalingen.

3. De regels zijn alleen van toepassing op overeenkomsten die op of na 16 maart 2013 zijn gesloten.

4. Wanneer de factuur te laat wordt betaald door de debiteur, dan is hij direct € 40 verschuldigd aan buitengerechtelijke incassokosten. De crediteur hoeft niet aan te tonen dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en deze kosten kunnen niet worden verlaagd of uitgesloten. Bovendien is een aanmaning niet vereist. Het is wel mogelijk om, wanneer daartoe aanleiding bestaat, een hogere buitengerechtelijke incassokostenvergoeding te vorderen.

5. De wettelijke handelsrente wordt met één procentpunt verhoogd. Deze wettelijke handelsrente is aanzienlijk hoger dan de normale wettelijke rente (voor consumenten 3%). Partijen kunnen contractueel van deze wettelijke handelsrente afwijken.

6. De betalingstermijn van rekeningen is 30 dagen vanaf de ontvangst van de prestatie. Een langere betalingstermijn is uitsluitend toegestaan wanneer partijen die overeenkomen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser. Uitgangspunt hierbij is dat een betalingstermijn in beginsel maximaal 60 dagen mag bedragen.

7. Indien tussen partijen overeengekomen en er een goede reden bestaat, mag een langere betalingstermijn (zelfs langer dan 60 dagen) worden gehanteerd.

8. De langere termijn kan door de rechter worden getoetst, waarbij een aantal in de wet genoemde factoren een rol spelen, zoals aard van de prestatie, goede handelspraktijken en objectieve redenen bij de schuldenaar.

9. Om te voorkomen dat partijen een afspraak maken over de controle van de prestatie waardoor de betalingstermijn effectief langer wordt, bepaalt de wet dat als de factuur is ontvangen vóór de prestatie, toch een betalingstermijn geldt. Bij aanvaarding bedraagt deze betalingstermijn 30 dagen na aanvaarding of beoordeling.

10. De nieuwe regels leggen ook vast dat partijen afspraken over betalingstermijnen uitdrukkelijk moeten overeenkomen. Een bepaling hierover in de algemene voorwaarden is daartoe niet altijd afdoende.

De wet geeft in een nieuw artikel ook voor overheidsinstellingen vergelijkbare regels wanneer zij hun rekeningen niet tijdig voldoen. Naast de minimumvergoeding van € 40 en de wettelijke handelsrente geldt ook voor de overheid een termijn van 30 dagen, tenzij dit “kennelijk onbillijk” is en partijen dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen en – voor zover er een aanbesteding is geweest – dit in de aanbestedingsdocumenten is opgenomen.

Aangezien de nieuwe wet is gebaseerd op een Europese richtlijn, gelden in alle EU-landen dezelfde betalingstermijnen en minimumvergoeding. Ondernemers die binnen Europa grensoverschrijdende handelstransacties verrichten, kunnen dus ook daarvoor van de bovengenoemde voorwaarden uitgaan.

Wendela Francken/Ellen Timmer

Dit artikel kan ook als pdf-bestand worden gedownload.

Geplaatst in Contractenrecht, algemeen privaatrecht | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Elke tak van sport kent z’n eigen regels. Wie kent ze van de uitzendbranche?

Volleybal kent andere regels dan basketbal of zaalvoetbal. En in de uitzendbranche gelden andere regels dan in andere bedrijfstakken. Het voldoen aan de spelregels is momenteel in de uitzendbranche belangrijker dan ooit.

Pellicaan Advocaten en Mazars kunnen u bijstaan om aan de steeds veranderende en complexer wordende spelregels te (blijven) voldoen. Door ons strategisch samen werkingsverband kunt u voor al uw juridische en fiscale vragen terecht bij één contactpersoon. En dat is lekker overzichtelijk.

Onze diensten

Arbeidsrecht en vreemdelingenrecht
• het opstellen van algemene voorwaarden, uitzend-, payroll-, detacherings- en inleenovereenkomsten;
• procederen met betrekking tot bestuurlijke boetes, werkgeversaansprakelijkheid en de Wet arbeid vreemdelingen (WAV);
• huisvesting van buitenlandse uitzendkrachten;
• Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (WAGA);
• tewerkstellingsvergunningen, notificatie en kennismigrantenregeling.
• Bemiddeling en begeleiding bij controles van de Arbeidsinspectie.

Compliance en payroll
• advisering omtrent de toepasselijke collectieve arbeidsvoorwaarden uit de ABU- of NBBU-cao;
• advisering omtrent de NEN 4400-1 en NEN 4400-2;
• registratieverplichtingen van uitzendbureaus bij Belastingdienst en KvK;
• salarisadministratie, inhoudingsplicht en aangifte loonheffingen;
• bemiddeling en begeleiding bij boekenonderzoeken van de Belastingdienst.

Loonbelasting en sociale verzekeringen
• inlenersaansprakelijkheid en risicobeperking (G-rekening, WKa-depot);
• extraterritoriale kosten en 30%-regeling voor specifiek deskundige
werknemers;
• werken met en bemiddelen van (buitenlandse) zzp’ers (VAR);
• internationale sociale zekerheid en het aanvragen van A1-verklaringen;
• grensoverschrijdende payrolldiensten.

Meer over Pellicaan Advocaten en Mazars

Pellicaan Advocaten
Pellicaan Advocaten is een middelgroot advocatenkantoor dat vanuit 3 vestigingen (Amsterdam, Rotterdam en Utrecht) ondernemingen bijstaat met kwalitatief hoogwaardige juridische diensten tegen scherpe tarieven. Doel is zaken helder te hebben en een oplossing te kunnen bieden, voordat een geschil kan ontstaan. Maar op het moment dat er een geschil ontstaat, staat Pellicaan Advocaten uiteraard ook voor u klaar. Pellicaan advocaten heeft een specialisatie met betrekking tot de uitzendbranche en kan door jarenlange ervaring uitzendondernemingen, detacheringsbureaus en payrollbedrijven snel en effectief adviseren.

Mazars
Mazars is een accountants- en belastingadvieskantoor met 10 vestigingen in Nederland met een duidelijke eigen signatuur. De professionals van Mazars denken niet in vastomlijnde oplossingen en standaardmethoden, maar durven van gebaande paden af te wijken en creëren met een ondernemende instelling waarde voor cliënten. Voor de specifi eke problematiek waar de uitzendbranche heeft Mazars, zowel nationaal als internationaal, specialisten in huis. In de uitzendbranche bedient Mazars een breed scala aan ondernemingen, van opdrachtgevers die personeel inlenen tot buitenlandse uitzendbureaus die personeel ter beschikking stellen.

Informatie & contact

Geïnteresseerd in wat Pellicaan Advocaten en Mazars voor uw organisatie kunnen betekenen?
Neem dan contact met ons op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.
Bel naar (088) 627 22 87 / 277 12 78 of mail naar info@pellicaan.nl of loonbelasting@mazars.nl.

Flyer

Dit bericht is ook als flyer in pdf-vorm beschikbaar.

Geplaatst in Arbeidsrecht en personeelszaken, Belastingrecht, Bestuursrecht | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen